Herinneringen aan prinses Marianne op Het Loo 2

Afb. 1. Karl Begas, Portret van prinses Marianne, 1832. Paleis Het Loo, in bruikleen van de gemeente Den Haag
Afb. 2. Theodor Hildebrandt, Portret van prinses Marianne, 1837. Paleis Het Loo, in bruikleen van de Geschiedkundige Vereniging Oranje-Nassau

In het vorige Weetje spraken wij over prinses Marianne (1810-1883), de jongste dochter van koning Willem I en zijn vrouw Wilhelmina van Pruisen, die aanvankelijk het lievelingetje van de koninklijke familie èn van het publiek was. Toen zij echter in 1849 na een dramatisch verlopen huwelijk scheidde van haar echtgenoot en neef prins Albrecht van Pruisen, een relatie aanging met haar koetsier/bibliothecaris Johannes van Rossem en een zoon van hem kreeg die zij in alle openheid zelf opvoedde, schond zij de gedragsregels van haar tijd zozeer, dat zij het zwarte schaap van de familie werd.
In de verzamelingen van Paleis Het Loo bevinden zich talloze herinneringsstukken aan prinses Marianne. Vandaag bespreken wij twee levensgrote portretten van haar, die stammen uit de tijd dat zij als de jonge vrouw van prins Albrecht schitterde aan het Berlijnse hof.
Het eerste portret dateert uit 1832 en werd geschilderd door de Berlijnse hofschilder Carl Begas (1794-1854). Prinses Marianne bestelde dit portret bij hem als een cadeau voor de gemeente Den Haag om te bedanken voor het mooie en omvangrijke huwelijkscadeau dat zij van de stad had ontvangen. Den Haag had niet voor niets zo in de bus geblazen. In maart 1830 was de prinses tot ereburger van Den Haag benoemd als dank voor de steun aan de armen en behoeftigen, die zij met het door haar opgerichte Fonds voor Weldadigheid verleende. Het huwelijksgeschenk bestond uit een reeks van zeven grote schilderijen, stadsgezichten van Den Haag, geschilderd door de meest vooraanstaande meesters van die tijd, B.J. van Hove, Andreas Schelfhout en Antonie Waldorp. De prinses gaf deze serie, die haar herinnerde aan plaatsen uit haar jeugd, mee naar haar slot Kamenz in Silezië. In 1945, bij de nadering van de Russische troepen, kon een aantal interieurstukken, waaronder deze serie Haagse schilderijen, in veiligheid worden gebracht. Thans zijn zij te zien in het museum in Nysa, in zuid-west Polen, het vroegere Silezië.
Begas liet de prinses poseren in de tuinkamer van het zojuist gereedgekomen Prinz Albrecht Palais in de Wilhelmstrasse in Berlijn. Het uit de 18de eeuw stammende gebouw werd door de Berlijnse hofarchitect Kal Friedrich Schinkel (1781-1841) in neoclassicistische stijl voor prinses Marianne en prins Albrecht gemoderniseerd en ingericht. In de tuin, die d.m.v. een colonnade met de straat was verbonden, sproeide de fontein, die links op het schilderij te zien is. Op de schildersezel rechts is, heel toepasselijk, een van de Haagse schilderijen neergezet, en in haar hand houdt de prinses een takje oranjebloesem, een verwijzing naar het huwelijk en naar haar afkomst als Oranjeprinses. Het Albrechtpalais, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog dienstdeed als hoofdkwartier van de SS, is in 1945 platgebombardeerd. De ruïne is in 1955, in de DDR-tijd, opgeblazen. Er is niets wat er nog aan herinnert.
Het tweede portret werd in 1837 geschilderd door Theodor Hildebrandt (1804-1874). De aanleiding was mogelijk de geboorte van prins Albrecht jr (1837-1906), de zoon en stamhouder. Wederom poseerde Marianne in de tuinkamer van het Albrechtpalais. Op een bewaard gebleven aquarel van dit vertrek is de Biedermeier sofa, bekleed met wit satijn en voorzien van twee kussens met gouden kwasten duidelijk te zien. Ook hier heeft de prinses weer een takje oranjebloesem in de hand: haar afkomst verloochende zij in Berlijn niet!
Het meest bijzondere op dit portret is echter dat Marianne een op de middeleeuwen geïnspireerde japon van groen fluweel draagt. De wijde, openvallende mouwen en de slanke taille die geaccentueerd wordt door een ketting zijn elementen die uit middeleeuwse afbeeldingen bekend waren. Ook het parelsnoer met een paarlen rozet in het midden, die zij op het voorhoofd draagt, is ontleend aan de mode van vroegere tijden. Een soortgelijk juweel is te zien op het portret van La Ferronniere van Leonardo da Vinci uit 1490 (Musée du Louvre, Parijs). Misschien verkeerde Marianne in haar gedachten al bij het ontwerp van het slot Kamenz in Silezie, dat in 1837 door de beroemde bouwmeester Schinkel voor haar werd ontworpen en dat het uiterlijk van een stoer ridderkasteel met kantelen moest krijgen. Dit was grotendeels Mariannes eigen idee, waarover ze regelmatig met de reeds bejaarde architect van mening verschilde. Het was zijn laatste ontwerp, hij zou de voltooiing ervan niet meer meemaken.
Slot Kamenz brandde in 1945 volledig uit. Aangezien de Russische soldaten de brandweer beletten uit te rukken, woedde de brand drie dagen lang door, tot er niets meer dan een karkas over was. Er is nu echter een omvangrijk en door de Europese Unie ondersteund restauratieproject aan de gang, waarbij het paleis en de tuinen in oude luister hersteld worden met verwerking van originele bouwelementen. De talloze oude foto’s vormen hierbij een onmisbare bron van kennis. Inmiddels is het project zo ver gevorderd dat het slot opengesteld is voor bezoekers.
Prinses Marianne is nog altijd zeer geliefd in deze streek, die zij oorspronkelijk verwierf uit de nalatenschap van haar moeder. Niet alleen verschafte zij werkgelegenheid (kristalfabriek, marmergroeve), maar ook zorgde zij voor onderwijs en sociale ondersteuning en liet zij kerken en weeshuizen bouwen.
Het portret door Hildebrandt vererfde op Mariannes jongste dochter Alexandrine (1842-1906). In 1969 kon de Geschiedkundige Vereniging Oranje-Nassau het aankopen van Marianne Reuss, de achterkleindochter van de geportretteerde.